Gregory Booth gaf Bake-lezing over Indiase filmmuziek

Op woensdag 20 oktober j.l. gaf Gregory Booth een lezing voor zowel
Bakeleden als voor studenten van de de collegecyclus ‘Introduction to World
Music’ van de Universiteit van Amsterdam (Muziekwetenschap). Booth toonde
zich een bevlogen causeur en een vooraanstaand kenner van ‘Bollywood’.
Hij maakte duidelijk dat film en filmmuziek in India de eerste vijftig
jaar nog voornamelijk ‘ad hoc’ gebeurtenissen waren. Niemand had een vaste
baan, geld werd op een ‘dag tot dag’ basis gevonden, en zo ontstonden ook de
scenarios, en de bijpassende muziek: stukje bij beetje. Nog tot medio jaren
tachtig van de vorige eeuw werd de muziek hoofdzakelijk in een ‘single take’
opgenomen, met alle muzikanten bijeen in een kamer. Desnoods repeteerde men
zeventien uur achtereen om een passage in een keer pasklaar te kunnen
opnemen. ‘Mixen’ was voornamelijk een kwestie van mensen dichter bij over
verder van de microfoons afzetten, microfoons die overigens allemaal samen
kwamen in één recorder. Ook het componeren van de stukken vond plaats in
aanwezigheid van de musici, onder leiding van een music director die de
facto als componist fungeerde.
Dat de dood van het een de broodwinning voor een ander domein kan
betekenen, gold ook voor de Indiase film. Toen in het midden van de
veertiger jaren – deels door het vertrek van de Britten – het nachtleven in
Bombay en Goa ter ziele ging, betekende dat ook het einde van bar- en
dansclub-emplooi voor vele dansband-musici. Velen van hen eindigden bij de
film, waar nog wel werk was. De echte ‘sterren’ van de muziek waren de
film-acteurs, de playbacksingers (soms) en de music directors, die roem
oogstten als ze erin slaagden hit-films te maken. De gewone
instrumentalisten bleven doorgaans anoniem, en waren ook nooit in beeld: men
sprak over de lui die ‘achter de boom’ speelden.
Musici die ontevreden waren met de zakelijke regelingen (of liever, het
ontbreken daarvan), verenigden zich uiteindelijk in een ‘Cine Musicians’
Association’. Ze zorgden (met hulp van zelfs enkele stakingen) dat de
financieën en de rechten van muzikanten verbeterden, en dat bv. iedereen
voortaan meteen na zijn werk uitbetaald kreeg. Voor de meesten, met
uiztondering van de sterren, zou het nooit een vetpot worden.
Wie wel goud opstreek aan de filmmuziek was het bedrijf His Master’s
Voice, toen dat de Indiase markt veroverde. HMV stak enorme bedragen in
filmmuziek, maar verdiende er goed aan omdat er feitelijk alleen voor
reclame en voor de produktie van geluidssschijven betaald moest worden. De
muziek was immersdoorgaans al gecomponeerd, gespeeld en opgenomen, en de
musici waren al door de filmproducenten betaald. het kwam er in wezen op
neer dat de Indiase filmindustrie HMV suibsidieerde, door ze een
kant-en-klaar produkt aan hun voordeur af te leveren, en puur op basis van
royalties te verhandelen.
Het hele systeem ging in 1990 op de helling door nieuwe economische
regels, verzakelijking en nieuwe technologie (digitalisering, de komst van
synthesizers en samplers).
Booth liet in zijn lezing overigens voorbeelden achterwege, met de
gedachte dat die al ruimschoots via internet en andere media voorhanden
zijn. Als senior wetenschappelijk medewerker bij Etnomusicologie,
Universiteit van Auckland (Nieuw-Zeeland), is Booth gespecialiseerd in de
klassieke en populaire muziek van India, in het bijzonder Hindi films en
filmmuziek. Hij verrichte tevens veldwerk naar volkse tradities, met name de
muziek van Zuid-Aziatische wedding bands). Booth publiceerde vele artikelen
alsmede een boek. Veel van zijn werk is te vinden in tijdschriften als
Ethnomusicology, Asian Music en de Musical Quarterly.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Post Navigation